Ergens tussen Lyon en een plek die ik niet heb opgezocht
Ik zit in de nachttrein en de verwarming onder het raam maakt een geluid alsof iemand heel langzaam leegloopt. Buiten schuiven lichten voorbij die ik niet kan thuisbrengen — een tankstation, een flat met één raam aan, dan weer niks. Mijn laptop staat op dat veel te kleine tafeltje dat altijd net iets trilt, zodat de cursor knippert op het ritme van de rails.
Ik zou moeten slapen. Ik heb tegen iemand gezegd dat ik zou slapen. In plaats daarvan typ ik dit, want het voelt veiliger om wakker te zijn op een plek waar niemand weet dat ik ben.
Er zat eerder een vrouw tegenover me die de hele tijd berichten typte en ze daarna weer wiste. Ik heb een half uur lang een heel leven voor haar verzonnen. Toen stapte ze uit in een stad zonder naam en nam ze dat leven mee.
Ik denk dat ik treinen leuk vind omdat je er even niemand hoeft te zijn. Geen aankomst, geen vertrek, alleen het ertussenin. Morgen ben ik vast weer iemand met een adres. Maar nu even niet.
Ik zou moeten slapen. Ik heb tegen iemand gezegd dat ik zou slapen. In plaats daarvan typ ik dit, want het voelt veiliger om wakker te zijn op een plek waar niemand weet dat ik ben.
Er zat eerder een vrouw tegenover me die de hele tijd berichten typte en ze daarna weer wiste. Ik heb een half uur lang een heel leven voor haar verzonnen. Toen stapte ze uit in een stad zonder naam en nam ze dat leven mee.
Ik denk dat ik treinen leuk vind omdat je er even niemand hoeft te zijn. Geen aankomst, geen vertrek, alleen het ertussenin. Morgen ben ik vast weer iemand met een adres. Maar nu even niet.